Van Schaik schreef met dit boek geen gemakkelijk tekst, die her en der helaas ontsierd wordt door kleine, maar soms best interessante typfoutjes (‘kuistocht’, p. 57). Voor de seculiere eenentwintigste-eeuwer is het niet eenvoudig zich te verplaatsen in de mensen voor wie de indaling van gevallen Engelen in de menselijke ziel zonodig een martelaarsdood waard was. Voor wie wil huiveren over het lot van de arme Katharen of de speurtocht naar hun verdwenen schatten kan beter andere boeken lezen. Voor wie gelooft dat de Katharen wat te maken hadden met de Tempeliers of Heilige Graal is dit boek evenmin bestemd: de schrijver maakt er korte metten mee.
Al met al is dit een boek voor de volhouders. Wie op basis van de weinige beschikbare bronnen de Kathaarse zienswijze van binnenuit wil kennen en beoordelen en niet bang voor het nodige theologische jargon, heeft in Van Schaijk een goede gids voor de eerste stap.